CD release “The cello in Madness”

“An album full of passion, virtuosity and musical integrity


“Un album plein de passion, virtuosité et integrité musicale


“Een album dat overloopt van passie, virtuositeit en muzikale integriteit

(Lire en bas pour le texte en français / Lees onder voor de nederlandse tekst )

Introduction to the CD ‘The cello in madness’ :

The cello has its roots back in the Renaissance being a member of the large family of stringed instruments. Because of its expressiveness, dexterity and ease to handle, it is the violin who « shines » first in the « brotherhood ». It will stay the number one of the family for a very long time, whereas the cello will be considered as an accompanying instrument because of its common use as basso continuo.

However a new era, brimming with ideas aiming at developing ever new sounds, offers the perfect medium for the evolution of the cello. During the second half of the 18th century, the instrument gradually moves to the front and takes a prominent place thanks to the creativity of well-known cellists like Jean-Baptiste Barrière (1707-1747), Luigi Boccherini (1743-1805) and Jean-Louis Duport (1749-1819). The cello is by no means able to match the violin, because of its headstart and top position thanks to the creativity of famous violinists like Giuseppe Valentini (1681-1753), Pietro Locatelli (1695-1764) and later still, Niccolò Paganini (1782-1840).

This is why, famed cellists start to incorporate violin techniques into cello techniques. Carlo Alfredo Piatti (1822-1901) transcribes compositions from the violin to the cello repertoire. His adaptation of the Violin sonata in D major by Pietro Locatelli (recordings nr. 1-3) illustrates this approach. The result is a piece with two completely different stylistic features : Piatti adds cadenzas and romantic passages to the original baroque composition of Locatelli. This forms a hybrid style that mixes two very differently characterized musical periods.

‘Le vieux quai’ (The old Dock), (recording nr. 4) by the Belgian composer Georges Lonque (1900-1967) is a contemplative piece for cello and orchestra. It draws its inspiration from the poem of the same name by the Belgian author Georges Rodenbach. The cello excels by its warm and intimate sounds of its typical nature, creating a highly refined post-romantic and even impressionistic atmosphere. The composition, never published nor recorded after its creation in 1927, got lost in oblivion. Thanks to this this recording it surfaced out, and today, takes its legitimate place in the ample cello repertoire.

Three compositions by Eric Feldbusch, Belgian cellist and composer (1922-2007), ‘Mosaïque’, ‘Trois mouvements’  and ‘Cadence et Allegro’, hold a prominent position in the present CD (recordings nr. 5 -12). They are extremely divergent in style and demonstrate the ease with which Feldbusch was able to navigate through the universe of composing. Other than an important cellist and composer, he also was a fulfilled chamber musician, a pedagogue who finally became director of the Royal Musical Conservatoria of Brussels and Mons. All through his life he remained a polyvalent musician. By composing he devoted himself to a never-ending search, travelling through tonality to finally access dodecaphony. Obviously, the cello lies in the heart of his compositions. Feldbusch expressed himself in the language of his times on the world where he lived in, on his dramatic events as well as on his experiences…

Olsi LEKA, october ’19

Présentation du CD “Le violoncelle en folie” :

Le violoncelle fait partie de la grande famille des instruments à cordes frottées et trouve son origine dans la Renaissance. Dans cette nombreuse fratrie c’est le violon qui « brillera » en premier. Instrument expressif, agile et très maniable il s’impose et règne longtemps en maître incontesté. Le violoncelle joue plutôt un rôle d’accompagnement et de soutien en tant qu’instrument de basse continue.

Dans un monde bouillonnant où les idées et la recherche de nouveaux sons priment, le violoncelle trouvera un terrain propice d’évolution. Soutenu par la créativité de grands maîtres violoncellistes comme Jean-Baptiste Barrière (1707-1747), Luigi Boccherini(1743-1805) et Jean-Louis Duport (1749-1819), dans la deuxième moitié du 18ème siècle, l’instrument s’impose et prendra une place toujours plus importante. Ce n’est pas pour autant qu’il peut s’estimer l’égal du violon. Ce dernier a une grande avance et atteint des sommets grâce à la créativité des violonistes innovateurs comme Giuseppe Valentini (1681-1753), Pietro Locatelli (1695-1764) et plus tard Niccolò Paganini (1782-1840).

Dès lors, les maîtres violoncellistes s’appliqueront à intégrer la technique du violon à celle du violoncelle et c’est dans ce contexte que Carlo Alfredo Piatti (1822-1901) adapte des œuvres du répertoire du violon au violoncelle. La Sonate en Ré majeur de Pietro Locatelli, (pistes nr 1-3 du CD) est un exemple de cette approche. Après l’arrangement de Piatti, l’œuvre présente deux facettes stylistiques distinctes: la musique baroque de Locatelli à laquelle Carlo Piatti a ajouté des cadences et des passages romantiques. Le tout forme un style « hybride » qui mélange deux époques bien différentes.

“Le Vieux Quai” (piste nr 4 du CD) du compositeur belge* Georges Lonque (1900-1967) est une œuvre profonde pour violoncelle et orchestre inspirée par le poème du même titre de Georges Rodenbach, écrivain belge. Le violoncelle, mis en valeur dans ses registres les plus chauds et intimes, crée par sa nature une sonorité très raffinée postromantique voire impressionniste. L’œuvre qui a été oubliée, jamais publiée ni enregistrée depuis sa composition en 1927, réapparaît et trouve enfin sa place dans le vaste répertoire du violoncelle.

Les trois œuvres « Mosaïque », « Trois mouvements » et « Cadence et Allegro » d’Eric Feldbusch, violoncelliste et compositeur Belge (1922-2007) prennent une place importante dans le CD (pistes nr 5 -12 du CD). Elles diffèrent énormement les unes des autres et montrent ainsi que Feldbusch maîtrise l’art de la composition. Violoncelliste connu, compositeur, chambriste, pédagogue et plus tard directeur des Conservatoires de Bruxelles et de Mons, il est resté musicien polyvalent durant toute sa vie. A travers la composition, il s’est voué à une recherche constante du tonal jusqu’au dodécaphonisme. Le violoncelle occupe, bien entendu, une place centrale dans son oeuvre de compositeur. Il s’exprime dans le language de son époque sur le monde où il vit, sur ses drames et sur son vécu…

Olsi LEKA, oct ’19

 Voorstelling van de CD “The cello in madness” :

De cello maakt deel uit van een grote familie strijkinstrumenten en vindt zijn oorsprong in de renaissance. Uit deze uitgebreide familie treedt de viool als eerste voor het voetlicht omdat ze expressief, behendig en hanteerbaar is. Ze staat op de voorgrond en scheert lang onbetwiste toppen. De cello heeft een ondersteunende en begeleidende functie door zijn gebruik als basso continuo.

In een tijdperk waar de ideëen borrelen en waar er gezocht wordt naar steeds nieuwe klanken vindt de evolutie van de cello hierin een vruchtbare voedingsbodem. Tijdens de tweede helft van de 18 e eeuw komt het instrument steeds meer op de voorgrond en zal het zijn plaats vinden dankzij de reativiteit van grootmeester-cellisten zoals Jean-Baptiste Barrière (1707-1747), Luigi Boccherini (1743-1805) en Jean-Louis Duport (1749-1819). Dit betekent echter niet dat de cello de viool kan evenaren. Deze heeft een grote voorsprong en scheert dus hoge toppen dankzij de inventiviteit van bekende violisten zoals Giuseppe Valentini (1681-1753), Pietro Locatelli (1695-1764) en nog later Niccolò Paganini (1782-1840).

Van dan af integreren de grootmeester-cellisten de viooltechniek in de cellotechniek. Zo zet Carlo Alfredo Piatti (1822-1901) de composities van het vioolrepertoire over naar de cello. De Sonate in Re groot van Pietro Locatelli (opnames nr.1-3) illustreert deze aanpak, met als gevolg dat het werk twee totaal verschillende stijlkenmerken vertoont : Carlo Piatti voegt cadenzas en romantische passages toe aan de barokmuziek van Locatelli. Dit leidt tot een hybride stijl die twee totaal verschillende periodes met elkaar vermengt.

‘Le vieux quai’  (Oude kaai), (opname nr. 4) van de Belgische componist Georges Lonque (1900-1967) is een diepzinnig werk voor cello en orkest. Het is geïnspireerd op het gelijknamig gedicht van de Belgische schrijver Georges Rodenbach. De cello blinkt uit door zijn warme en intieme registers en zijn typische natuur, waardoor een zeer geraffineerde post-romantische of zelfs impressionnistische klank ontstaat. De compositie was in de vergetelheid geraakt omdat het werk nooit gepubliceerd noch opgenomen werd na het ontstaan in 1927. Het is opgedoken en neemt uiteindelijk een plaats in binnen het uitgebreide cello-repertoire.

De drie composities van Eric Feldbusch, Belgisch cellist en componist (1922-2007), ‘Mosaïque’, ‘Trois mouvements’ en ‘Cadence et Allegro’, bekleden een vooraanstaande plaats op de CD (opnames nr. 5 -12). Ze zijn zeer uiteenlopend wat aantoont dat Feldbusch met gemak laveerde door het universum van de compositie. Hij was niet alleen een bekende cellist en componist, maar tevens kamermuzikant, pedagoog om tenslotte directeur van de Koninklijke Conservatoria van Brussel en Bergen te worden. Hij is heel zijn leven een polyvalente musicus gebleven. Via het componeren wijdde hij zich aan een constante zoektocht, waarbij hij het tonale doorkruiste om terecht te komen bij de dodecafonie. Uiteraard bekleedt de cello een centrale plaats in zijn composities. Feldbusch uitte zich in de taal van zijn tijd over de wereld die hem omringde, over zijn drama’s alsook zijn belevenissen…

Olsi LEKA, oct ’19